“Daarmee diskwalificeer je gewoon gelijk iemand.”
En dan, rustig, met die blik van iemand die zijn woede netjes in een jasje stopt: “Ik vind dat niet oké.”
Jesse Klaver, lang, groen en plots het geweten van de kroegcultuur, pakte Johan Derksen bij z’n snor – letterlijk of niet – en zei: nee. Niet doen. Geen ‘k*twijf’, geen scheldwoord met schuimrand, niks. Zeker niet als het over een vrouwelijke collega gaat die gewoon haar werk doet in de politiek.
En weet je wat het gekke is? Het was geen moment van populisme. Geen pose. Het voelde als fatsoen. Echt fatsoen. Niet het soort dat in campagnes wordt verkocht, maar het soort dat je leert van je moeder: je noemt mensen niet zo, punt uit.
Johan, met z’n stoere-jongensvleugje en eeuwige onschuld in z’n ogen, dacht zeker: ouwe mop, ouwe grap, ouwe tijd. Maar de tijd is veranderd. En Jesse – lang niet meer alleen de frisse jongen met de bloem op z’n jas – is nu degene die de grens aangeeft. Zonder schreeuwen. Zonder camera’s nodig. Gewoon: een zin. Een blik. Een correctie.
En daarom noem ik hem nu even geen politicus. Ik noem hem een fatsoensrakker.
Want terwijl de rest van de tafel zweeg of lachte met z’n elleboog, stond Jesse op van de morele zitbank. En dat is precies wat Nederland nu nodig heeft: geen vuurwerk, maar morele helderheid. Zelfs – of juist – in een programma waarin de gastheer nog denkt dat ‘beledigend zijn’ hetzelfde is als ‘entertaining zijn’.
Johan, schat, jij bent een legende. Maar legende of niet: een vrouw is geen ‘wijf’. Al helemaal niet met een belediging ervoor.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Lemme know 😘
