Ik zat met mijn slippers al half onder de bank, kop thee in de hand, toen Bouke Scholten voor het eerst een noot liet trillen in *Stars on Stage*. Geen jumpsuit, geen vliegende haarlok, wel een man die weet hoe hij een microfoon moet vasthouden. Maar nu dus: musicals. Zonder val. Zonder publiek. Zonder iemand die roept dat-ie het beter kan.
Het is weer zo ver. De camera’s volgen weer tien mensen die normaal ergens anders staan. Bij de radio, op een toneel, of achter een goocheldoos. En nu moeten ze dansen. Zingen. Samen. In een musical. Alsof je iemand die altijd boterhammen smeert opeens vraagt om in het donker een taart te bakken. Met muziek.
Bouke Scholten, ooit gekroond als de Nederlandse Elvis, zingt alsof hij weet wat hij doet. Maar hier gaat het niet om stemmen alleen. Het gaat om tijdschriftjes die je moet leren lezen terwijl je op één been staat. Over acteren alsof je verdriet hebt, terwijl je gewoon honger hebt. Over danspassen die niemand thuis ooit nodig heeft.
Barry Paf, Sosha Duysker, Hans Klok – allemaal mensen met een eigen plek in het land van de bekendheid. Nu moeten ze die plek delen. Met elkaar. Met een regisseur. Met een choreograaf die vast geen grapje pik. En met een liedje dat op maat is gemaakt, maar niet op maat van hun ego.
Wat mij raakt? Dat het niet gaat om wie het beste is. Maar om wie het meeste durft. Wie blijft staan als het liedje te hoog ligt. Wie lacht als de pas niet lukt. Wie, net als ik met mijn thee, gewoon doet terwijl alles schuin loopt.
Het doek gaat op. Geen glans, geen rook, geen valse wimpers. Gewoon mensen. Die proberen iets nieuws. In een wereld waarin iedereen al alles lijkt te zijn geweest.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Vertel vertel! 😘
