Carla liet het tasje met opzet iets te nonchalant op tafel vallen, alsof het niets was. Een klein, zacht pakje, verpakt in crèmepapier met een pluisrandje dat verdacht veel op babyzacht dekentje leek. Ze glimlachte, een halve seconde langer dan normaal, terwijl ze haar haar achter haar oor streek.
Carla lachte alleen maar, die schittering in haar ogen die Maurits niet kon plaatsen maar waar hij onweerstaanbaar blij van werd. Ze zei niets. Ze hoefde niets te zeggen. Het pakje stond daar, vol verwachting, als een scène uit een Franse film waarin niemand praat maar alles wordt meegevoeld.
Hij probeerde grip te krijgen. Is dit een statement piece? Voor de woonkamer? Omdat hij dacht dat hij iets moest zeggen over esthetische verantwoordelijkheid, voegde hij eraan toe: het straalt in ieder geval success uit.
Carla schudde haar hoofd, stond op, liep naar hem toe en gaf hem een kus op zijn voorhoofd. Je snapt het niet, hè?
Niet met opzet, liefje. Maar hij zag hoe haar hand even over haar buik gleed, hoe haar lach zachter werd, hoe de wereld even stil bleef staan. En toen, pas toen, begon het tot hem door te dringen. Niet het pakje. Niet het pluis. Maar de manier waarop ze naar hem keek. Alsof hij opeens de belangrijkste man op aarde was.
En opeens was hij dat ook. Zijn keel kneep dicht. Zijn cold brew stond vergeten op tafel. Hij pakte haar hand, kneep erin, en zei niets. Omdat er niets te zeggen viel. Alleen dit: ik ben blij, omdat jij blij bent.
En toen pas, heel zacht, fluisterde hij: dit is het mooiste dat we ooit hebben gehad.
(wordt vervolgd)
