Een Utrechtse woonkamer als tempel voor de innovatie-industrie? Ed Bindels, de man die achter AMAC staat, denkt dat een verzameling oude MacBooks en iMacs in een pand aan de Neude voldoende is om een generatie nostalgische nerds naar binnen te lokken. Vijftig jaar Apple — feitelijk een jubileum dat in Cupertino met een discrete update van de M3-chip werd gevierd — wordt hier onthuld als volksfeest met koffiehoek en USB-kabels in vitrines.
Bindels claimt een ‘serieuze’ collectie te bezitten. Maar serieus in dit vak betekent omzet. En die is er niet. Geen merchandising, geen licentieovereenkomst, geen cent van Apple zelf. Wat overblijft is een gepolijste hobby met de ambitie van een IPO. Tienduizend bezoekers per jaar? Reken op drie procent. De doelgroep: mannen van rond de vijftig die nog een Power Mac in de schuur hebben staan en denken dat Steve Jobs ooit in hun tuin heeft gezeten.
De echte waarde van Apple ligt niet in retrofreaks met een museumvisie, maar in de marginale winst per gebruiker op iCloud, App Store en Services. Die groeide vorig kwartaal met 18 procent — zonder enige nostalgische expositie. Een museum dat niet rendeert, is geen culturele bijdrage. Het is een kostenpost met een glimlach.
Apple zelf? Niet geïnteresseerd. Geen verbintenis, geen steun, geen copyright. En terecht. Want waarom zou je een replica van je geschiedenis bouwen als je al bezig bent met de volgende generatie AI-integratie in de Vision Pro?
Het onderscheid is simpel: in Silicon Valley bén je de toekomst. In Utrecht bewaar je de rommel ervan.
Met zakelijke groet,
Maurits Droogleever Fortuyn
Hoofdredacteur Redia.nl | Media Business
