Ed Bindels opent een Apple-museum in Utrecht. Geen subsidiefonds, geen merksteun, geen cent van Cupertino — alleen een man, een pand en een berg oude iMacs. Vijftig jaar Apple, en de enige eredoctoraat komt uit een pand aan de Neude, alsof iemand denkt dat een G4 Power Mac op een voetstuk de geschiedenis redt.
Bindels, oprichter van AMAC, noemt het een ‘serieus’ museum. Maar serieus in de zin van impact? Of serieus in de zin van ‘ik heb er echt lang over nagedacht terwijl ik mijn AirPort Express repareerde’? Tienduizend bezoekers per jaar? Reken op 850 — en die komen niet voor de productevolutie, maar om een nostalgische kick te krijgen van de sound van een Macintosh-opstart.
Het ironische? Apple zelf is er niet bij betrokken. En terecht. Want waarom zou je je erfgoed koppelen aan een fanclub met een glasvitrine? In Cupertino bouwen ze aan AI-integratie in de volgende generatie Vision Pro, en hier proberen we de glorie van de iBook G3 te conserveren als een soort digitale mummie.
Een museum zonder winstmodel is geen cultuurproject — het is een veredelde garageverkoop. En wie denkt dat dit de erfenis van Steve Jobs voortzet, heeft nooit begrepen wat hij werkelijk verkocht: geen apparaten, maar vooruitgang.
Bindels bewaart de rommel van de revolutie. Apple bouwt aan de volgende.
Met zakelijke groet,
Maurits Droogleever Fortuyn
Hoofdredacteur Redia.nl | Media Business
