Amsterdam. Rotterdam. Utrecht. Drie steden. Één realiteit: als je huurt, verliest. Niet tijdelijk. Niet structureel. Maar *systematisch*. Het onderzoek van ABN Amro? Laat me raden: het concludeert dat huurders een groter deel van hun inkomen kwijt zijn dan eigenaren. Alsof dat een verrassing is. Alsof we dit niet al tien jaar zien aankomen terwijl beleidsmakers met rode wangen campagnes voeren over ‘betaalbare woonruimte’.
Maar laten we duidelijk zijn: dit gaat niet over woningtekort. Dit gaat over *kapitaal*. Wie in de afgelopen vijftien jaar kocht, investeerde in een machine die dagelijks meer waard werd — gesubsidieerd door renteaftrek, gestimuleerd door een markt die nooit corrigeerde. Wie huurde, betaalde voor die groei. Met zijn huid.
In Amsterdam is de kloof niet meer te overbruggen. Een jonge huurder betaalt 40% van zijn inkomen aan een woning waar hij geen cent aan bezit. De eigenaar, vaak generatie X of zelfs boomer, zit in de zitbank met een hypotheek die hij in 2015 afslot — tegen 1,2 procent. En denkt: ‘Wat een pech voor die jongelui.’ Pein maar niet, vriend. Pein maar niet.
De economische waarheid is simpel: wie vroeg in de markt kwam, won. Wie te laat was, verliest. En wie nu als huurder probeert te sparen voor een aanbetaling? Die wordt uitgeschakeld door de inflatie in de huurprijzen — een inflatie die precies op zijn rug wordt gefinancierd.
ABN Amro noemt het een ‘tweedeling’. Ik noem het een *klassenstructuur met een dak erop*. De ene helft bouwt vermogen. De andere helft betaalt de rekening. En niemand — echt niemand — stelt de regels ter discussie. Want wie zou dat doen? De politiek? Die leeft in een koopwoning. De bank? Die verdient aan beide kanten.
De enige oplossing? Stop met dromen over een eigen huis. Begin met rekenen. En als je geen vermogen hebt, vraag dan niet wanneer je kunt kopen. Vraag wie er precies wint van jouw huur.
Met zakelijke groet,
Maurits Droogleever Fortuyn
Hoofdredacteur Redia.nl | Media Business
